Lezing Prof. Dr. Em. Alfons Marcoen: Kernconcepten uit de psychologie van het ouder worden

Prof. Dr. Alfons Marcoen - Dag van de Psycholoog

Prof. Dr. Em. Alfons Marcoen schetste voor ons het algemeen kader van de ontwikkelingspsychologie bij ouderen. Hij was zo vriendelijk om zijn betoog en powerpoint ter beschikking te stellen. 

Verouderen en ouder worden

Ouder worden heeft meerdere dimensies. Het bestaat uit (a) lichamelijk verouderen (primaire, secundaire, tertiaire veroudering) en de effecten ervan op het cognitief-psychologisch functioneren, (b) een senior worden in de familiale en bredere sociale context, en (c) in het perspectief van de eindigheid aan zichzelf en aan zijn leven vorm en zin blijven geven.

 

Deficitmodel

De veranderingen die met het ouder worden of met de tweede levenshelft geassocieerd worden zijn in de regel negatief (afbraak, aftakeling, neergang, achteruitgang) en contrasteren met de kenmerken van de veranderingsprocessen uit de eerste levenshelft die als ontwikkeling gelabeld worden (groei, toename, opbouw, vooruitgang). Deze biologisch geïnspireerde tweedeling ligt aan de basis van het deficitmodel van het ouder worden dat lang het gerontologisch onderzoek heeft beheerst en ook de optimale psychologische hulpverlening aan ouderen heeft afgeremd. 

 

Ouder worden en ontwikkeling

Vandaag realiseert men zich dat positieve en negatieve veranderingsprocessen zich gedurende de hele levensloop voordoen. Birren en Schroots (1984) zien ontwikkeling en ouder worden als elkanders keerzijde in de ontogenese. Ze introduceerden specifieke termen om de lichamelijke, psychologische en sociale veranderingsprocessen in de eerste en de tweede levenshelft aan te duiden (growing, maturing, adulting versus senescing, geronting, eldering. Baltes en Baltes (1990) integreren de veranderingsprocessen in een nieuw ontwikkelingsconcept. Het gaat om levenslange processen van winst en verlies van aanpassingsvermogen. In het begin van de levensloop is er vooral winst en weinig verlies, naar het einde toe overheerst het verlies, maar winst blijft mogelijk. Levenslang investeert het individu energie in drie centrale ontwikkelingsdoelen: groei (vooral in de jonge leeftijd), behoud (herstel en veerkracht, toenemend van in de middelbare leeftijd) en verliesregulatie (toenemend in de late volwassenheid en de hoge ouderdom). Dit gebeurt via drie basisprocessen: selectie (en specialisatie), optimalisering en compensatie.  

 

Gewoon en succesvol ouder worden

In de tweede helft van de vorige eeuw ging de aandacht van de gerontologen niet meer alleen naar het gewoon ouder worden (usual aging) (goed functioneren, maar met reële risico’s op ziekte en handicaps), maar ook steeds meer naar het zogenaamde succesvol ouder worden (successful aging). Maar wat is succesvol ouder worden? Een universele definitie is nog niet gevonden. Trouwens, van wie moet ze komen?  Van deskundigen of van de ouderen zelf? De analyse van 29 definities door gerontologen leverde de volgende criteria op: een hoog niveau van cognitief functioneren, aangepast zijn aan ouderdomsveranderingen, sociale contacten hebben, tevreden zijn met zijn leven (Depp & Juste, 2006). Havighurst zelf, die in de periode 1950-1960 de term succesvol ouder worden introduceerde, omschreef het als: zich gelukkig voelen, tevreden zijn met zijn leven van het moment en in het verleden, over een goed moreel beschikken, competent zijn in sociale rollen, het gevoel hebben van nuttig te zijn, en zo lang mogelijk de activiteiten van de middelbare leeftijd aanhouden.

 

Actuele modellen van succesvol ouder worden

Actuele invloedrijke modellen van succesvol ouder worden zijn: het model van Rowe en Kahn (1997), de aanpassing van dit model door Crowther et al. (2002), het model van Baltes en Baltes (1990), en modellen die aansluiten bij klassieke theorieën over de ontwikkeling van de persoonlijkheid in levensloopperspectief: Erikson, Jung, en vooral Tornstam (1989).

 

In de visie van Rowe en Kahn is succesvol ouder worden gekenmerkt door: het behoud van een laag risico op ziekte en aan ziekte gerelateerde beperkingen   (gezond), een hoge cognitieve en fysieke functionele status (mentaal alert - mobiel) en een actief (sociaal/productief) engagement in het leven (sociaal – actief).

Dit model en het begrip succesvol ouder worden zelf riep kritische vragen op. Ook bij ouderen.  Doet de term niet te veel denken aan jonge en lichamelijk vitale senioren in de late middelbare leeftijd en het begin van de pensioenperiode? Hoe lang duurt succesvol ouder worden? Kan men niet meer spreken van succesvol ouder worden als iemand op hoge leeftijd toch ziek wordt, minder mobiel en minder vlug van geest? Kortom, is succesvol ouder worden alleen weggelegd voor senioren in de derde leeftijd en niet meer voor senioren in de vierde leeftijd?

 

De reflectie op deze vragen leidde tot groeiende aandacht voor de rol van zingeving en spiritualiteit in het proces van succesvol ouder worden. Wong (2000) noemde persoonlijke positieve zingeving de verborgen dimensie van het succesvol ouder worden. Crowther et al. (2002) beschouwden een positieve spiritualiteit als de vergeten factor, en voegden een vierde dimensie toe aan het model van Rowe en Kahn: een positieve spiritualiteit maximaliseren.

 

Baltes en Baltes (1990) formuleren vijf criteria van succesvol ouder worden vanuit hun hoger vermelde visie op het samen gaan van ouder worden en ontwikkeling: (1) het optimaliseren van de verhouding tussen winst en verlies aan adaptatievermogen, m.a.w. het maximaliseren van de winst en het minimaliseren van het verlies, (2) een voortgezette succesvolle ontwikkeling nastreven door het bereiken van waardevolle doelen, (3) het behouden van de lichamelijke en mentale functionele status, (4) het herstellen van verlies in belangrijke levensdomeinen, (5) slagen in verliesverwerking en verliesregulatie. De verlies-winstverhouding optimaliseren vergt naast persoonlijke inzet ook socioculturele ondersteuning, zoals wetenschappelijk onderzoek (behandelingsmethoden, geneesmiddelen en adviezen), seniorenvriendelijke urbanisatie en ruimtelijke ordening, aanbod van vorming en ontspanning, materiële-, sociale- en psychologische ondersteuning, levensbeschouwelijke visies en zingeving, enz.

 

Constructief ouder worden

Naast “succesvol ouder worden” spreken gerontologen ook van positief, optimaal, productief, zinvol, creatief, vitaal, actief ouder worden. Elk van deze termen heeft een bepaalde gevoelswaarde. Een alternatief is constructief ouder worden: (1) Het ouder worden beschouwen als een geheel van ontwikkelingstaken en na te streven doelen in verschillende levensdomeinen. (2) Adequaat (juist, gepast, gevat, verstandig, doordacht, constructief) reageren op de levensgebeurtenissen, levens- en zinvragen die zich aandienen. (3) Daardoor levenszin, geluk, welbevinden en levensvoldoening  ervaren.  Wij onderscheiden acht levensdomeinen (Marcoen, 2006), vijf primaire levensgebieden waarin we zichtbare activiteiten ontplooien (gezondheid; wonen, huwelijk, gezin, familie; beroep en vrije tijd; sociale rol – maatschappelijke participatie), en drie domeinen van zelfreflectie (het zelf, de tijd, het bestaan).In elk van deze domeinen worden we geconfronteerd met specifieke ontwikkelingstaken.

 

Ego-integriteit en gerotranscendentie

Succesvol of constructief ouder worden is mede de vrucht van de hele levensloop. Dat wordt op treffende wijze zichtbaar in de levenslooptheorie van Erikson.

De succesvolle oplossing van de antinomieën van de 7de en de 8ste levensfase volgens Erikson (generativiteit versus stagnatie en ego-integriteit versus wanhoop) wekken in de mens de diepmenselijke kwaliteiten van zorg en wijsheid die zich voegen bij de idealiter in de vorige levensfasen verworven deugden of ego-strenghts: hoop, wilskracht, doelgerichtheid, competentie, trouw, liefde. In het beste geval kan de ouder wordende mens al deze kwaliteiten mobiliseren om in het zicht van het einde levenszin en welbevinden te ervaren. Joan Erikson, die 95 jaar werd en haar man met 4 jaar overleefde postuleerde een 9de fase (de fase van de kwetsbare hoge ouderdom) gekenmerkt door het verweer tegen de bedreiging die uitgaat van de negatieve polen van de emotionele antinomieën uit de voorgaande levensfasen: wantrouwen, schaamte en twijfel, schuldgevoel, minderwaardigheid, identiteitsverwarring, isolement en eenzaamheid, stagnatie en egocentrisme, wanhoop. Succesvol verweer leidt tot gerotranscendentie of levensvervulling: bewust zich terugtrekken uit een wereld gericht op snelheid en competitie, vrede en zelfaanvaarding vinden in het alleen zijn, meer en meer mens worden, zonder angst in het aanschijn van de dood, vurig, maar nederig, met al zijn zintuigen betrokken blijven op de realiteit (Erikson, 1997).

 

Het begrip gerotranscendentie werd geïntroduceerd door Lars Tornstam (1989; 2005). Geïnspireerd door de positieve elementen van de disengagementheorie en de theorieën van Erikson en van Jung, formuleerde hij de gerotranscendentietheorie van het ouder worden en oud zijn. De toestand van gerotranscendentie (die niet door iedere oudere bereikt wordt) is gekenmerkt door de overgang van een materialistisch en rationeel levensperspectief naar een meer kosmisch-transcendent levensperspectief. Optimaal ouder worden zou gekenmerkt zijn door ontologische veranderingen op drie niveaus: (a) het Kosmisch niveau (bijv. veranderingen in de definitie van tijd en ruimte, toenemende gevoelens van verbondenheid met vroegere generaties), (b) het niveau van het Zelf (bijv. de ontdekking van verborgen kenmerken bij zichzelf, zijn zelf verwijderen uit het centrum van zijn universum) en (c)  het niveau van de Sociale en Individuele Relaties (bijv. minder interesse in oppervlakkige relaties, toenemende behoefte aan alleen zijn). Uit factor-analytisch onderzoek met de gerotranscendentieschaal blijkt dat (kosmische) verbondenheid de kern is van gerotranscendentie. Deze toestand van optimale adaptatie aan het ouder worden houdt verband met verschillende persoons- en contextkenmerken zoals: leeftijd, geslacht, opvoeding en opleiding, religieuze overtuiging, enz.

 

De paradox van het ouder worden: emotieregulatie en veerkracht

Ouder worden gaat gepaard met verliezen op lichamelijk, functioneel, cognitief en sociaal vlak. Uit het merendeel van de onderzoeken blijkt, tegen de verwachting in, dat oudere mensen zich goed voelen. Ze vinden plezier in hun leven en zijn tevreden. Dit is een paradox: oud en toch gelukkig zijn. Hoe slagen oudere mensen daarin?  Ouderen zijn in de regel goed in het reguleren van hun emoties. Het individu geeft immers zelf door zijn denken tot op zekere hoogte vorm aan zijn gevoelsleven tegen de achtergrond van zijn ervaring en de doelen die hij/zij nastreeft. Dit is een centraal uitgangspunt in: de controletheorieën van Heckhausen & Schulz (1995) (primaire en secundaire controle) en Brandstädter & Greve (1994) (assimilatieve, accommodatieve coping en immuniseringsprocessen); de dynamische integratietheorie van Labouvie-Vief (2003) (integratie van optimalisatie en differentiatie); de socio-emotionele selectiviteitstheorie van Carstensen (1992)(primaire oriëntatie (motivatie): welbevinden/ positiviteitseffect).

 

De derde en de vierde leeftijd

Het voorkomen en de doeltreffendheid van veel levenstechnieken die ouderen gebruiken om hun positief zelfconcept en hun welbevinden te vrijwaren worden mede bepaald door de nabijheid van het naderend levenseinde. Terecht wordt een onderscheid gemaakt tussen een 3de en een 4de leeftijd. De 3de leeftijd is de vitale fase van het ouder worden. Dat is vandaag de fase van de nieuwe jonge ouderen, de novogeronten, de pioniers van een onontgonnen levensperiode. De 4de leeftijd is de fase van verhoogde kwetsbaarheid in het perspectief van de dood. Succesvol en constructief oud zijn wordt dan: Erkend, gerespecteerd en bemind echt hulpbehoevend oud mogen zijn, en gelaten, aanvaardend, berustend en dankbaar oud kunnen zijn, kortom, overgave in verbondenheid.

De presentatie van Prof. Marcoen kan u hier vinden.   

 
Deel dit bericht
Deel dit bericht