Bijlage bij de Deontologische Code van Psychologen
Advies en expertise
Bij een verzoek om "advies" te verstrekken, en meer bepaald in een geschil, vragen psychologen zich vaak af hoe zij hierop moeten reageren, wat zij moeten antwoorden, wat zij al dan niet mogen zeggen of schrijven. Deze bijlage wil hun hierover meer duidelijkheid brengen.
Natuurlijk werpen wij onszelf graag op (al dan niet terecht) als deskundigen in het domein waarin wij actief zijn. Meestal is die bekwaamheid ook gestaafd. In wat hierna volgt, moeten wij evenwel het onderscheid maken tussen een door een psycholoog verstrekt "technisch of wetenschappelijk advies" en een "gerechtelijk deskundig onderzoek" dat wordt uitgevoerd op verzoek van een magistraat.
Technisch advies.
Iedereen die dit wenst, kan een psycholoog om advies vragen over zichzelf. Of dit nu mondeling gebeurt, dan wel schriftelijk, niets verhindert een psycholoog om die persoon dit advies te geven.
Helemaal anders is het, wanneer dit advies over iemand anders gaat. Het beroepsgeheim bindt een psycholoog tegenover wie dan ook (bijvoorbeeld tegenover een eventuele echtgenoot, een magistraat of een advocaat en in sommige gevallen zelfs een ouder). Elk antwoord op een dergelijke vraag vormt een inbreuk op het Beroepsgeheim, ongeacht de goede bedoelingen of de gegronde redenen die de psycholoog kan hebben. Ook een verzoek afkomstig van een magistraat of een advocaat, om een verslag, een conclusie, een advies te geven, is dus onderworpen aan de plicht van het Beroepsgeheim.
Wanneer het gaat om een verzoek van een gemachtigde derde (ouders voor hun minderjarig kind, een voogd voor zijn voogdijkind, een magistraat, eventueel een voorlopige bewindvoerder voor de persoon voor wie hij bevoegd is), is het een psycholoog toegestaan advies te verstrekken, rekening houdend met name met paragraaf 1.3.1; 1.3.4; 1.3.5 en 1.3.6 van de Deontologische Code.
In het geval van minderjarige kinderen kan één van de ouders de tussenkomst van een psycholoog vragen en daarover conclusies krijgen. Op grond van het principe van gezamenlijk ouderlijk gezag wordt dit verzoek geacht te zijn ingediend met instemming van de andere ouder. Alleen bij formeel of duidelijk verzet van de andere ouder kan de goede trouw van de psycholoog in vraag worden gesteld en kan hem worden verboden om in te gaan op dat eerste verzoek. Wanneer aan een van de ouders de hoofdhuisvesting van het kind is toegewezen, verleent dit hem in geenszins een groter en absoluut gezag. De andere ouder behoudt al zijn rechten (met name op opvoeding, informatie en verzorging) tegenover zijn kind. Alleen een vonnis kan een gedeeltelijk of exclusief ouderlijk gezeg toekennen of het ouderlijk gezag vervallen verklaren. Het is aan de ouder dit te melden (eventueel met bewijsstuk) en niet aan de psycholoog om dit te onderzoeken. Bij uitdrukkelijke onenigheid tussen de ouders, moeten deze zich richten tot de Jeugdrechtbank die hierover uitspraak zal doen. De psycholoog moet dus wachten op die beslissing van de Rechtbank om al dan niet op dat verzoek in te gaan.
Een psycholoog mag niet onbekend zijn met de context van een eventuele betwisting waarin zijn advies wordt gevraagd noch met de manier waarop het kan worden gebruikt. Voorbeelden: bij een echtscheidingsgeding, huisvesting van een kind (vroeger hoederecht), recht op persoonlijke omgang zowel voor grootouders of een onthaalgezin, mag men nooit uit het oog verliezen dat het niet om een vertrouwelijk Advies gaat (noch mag gaan): omdat het deel uitmaakt van de dossierstukken, krijgen ook de magistraten, de partijen en hun advocaten inzage. Een psycholoog kan niet optreden als "technisch advocaat" van een van de partijen. Hij moet geen pleidooi schrijven, maar getuigen van objectiviteit en nauwkeurigheid, met respect voor alle partijen en in naleving van de regels van de deontologie.
Op dit vlak gaat onze voorkeur uit naar een tegensprekelijk onderzoek van de situatie, waarbij beide partijen worden betrokken, zodat een kind geen herhaalde onderzoeken moet ondergaan en het niet voor een loyaliteitsconflict komt te staan.
Een psycholoog moet er in die omstandigheden bijzonder op toezien dat hij de rollen niet verwart: indien hij vooraf met een van de partijen een professionele relatie (therapie, revalidatie etc.….) heeft aangegaan, is het schadelijk en vaak strijdig met het Beroepsgeheim een Advies te verstrekken.
In het bijzondere geval van een verzoek om het onderzoek van een kind (bijvoorbeeld om zijn IQ te bepalen) afkomstig van een externe instelling, zoals een ziekenfonds, een verzekering, een bijslagfonds, een onderwijsinstelling, moet het resultaat van het onderzoek worden overhandigd aan de ouder(s), die er naar eigen believen kan (kunnen) over beschikken.
Gerechtelijk deskundig onderzoek.
Een gerechtelijk deskundig onderzoek gebeurt altijd op verzoek van een magistraat (rechter of Procureur des Konings). Omdat deze laatste van zichzelf vindt dat hij onvoldoende onderlegd is in een bepaald technisch of wetenschappelijk vakgebied, vraagt hij aan een deskundige meer duidelijkheid over bepaalde punten die hij aangeeft. Er is alleen sprake van een gerechtelijk deskundig onderzoek wanneer het door een magistraat wordt gevraagd aan een deskundige die de opdracht formeel aanvaardt. Parketten, Hoven en Rechtbanken beschikken meestal over lijsten waaruit zij deskundigen kiezen en aanstellen.
In zijn opdracht tot een deskundigenonderzoek omschrijft de magistraat het algemene kader van het onderzoek (bijvoorbeeld: een of meerdere gesprekken met het slachtoffer of met de vermeende schuldige; in het geval van een minderjarige, zijn ouders, voogden of burgerlijk aansprakelijken horen; een of meer gesprekken indien nodig met tests) en de punten waarover hij meer duidelijkheid wenst (bijvoorbeeld: geloofwaardigheid van het slachtoffer; eventuele waarneembare psychologische gevolgen; advies over de oprechtheid van de beweringen van het slachtoffer of de schuldige; de relatie van een kind met elk van zijn ouders beschrijven en beoordelen).
Een deskundige moet zijn schriftelijk verslag overmaken aan de magistraat die het heeft aangevraagd en dit beëdigen met de formule "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk heb vervuld". Sommige magistraten vragen een gedetailleerde lijst van alle verrichtingen van de deskundige met een schema van zijn werkzaamheden.
Tussen een deskundige en zijn opdrachtgever geldt geen Beroepsgeheim, in zoverre het de vragen betreft die in de opdracht van het deskundigenonderzoek worden gesteld. Volgens artikel 1.3.3, 1.3.4 en 1.3.5 van de Deontologische Code, is de psycholoog verplicht de betrokken personen ervan op de hoogte te brengen. Zo ook moeten deze personen in kennis worden gesteld van de mogelijkheid om de tussenkomst van een deskundige te weigeren om ongeacht welke reden die hen aangaat, maar zij moeten tevens worden ingelicht over de gevolgen van hun weigering.
Er zijn twee heel verschillende soorten deskundigenonderzoeken: het deskundigenonderzoek in strafzaken en het deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken.
Deskundigenonderzoek in strafzaken.
Dit is het type onderzoek dat een magistraat (vaak de Procureur des Konings) vraagt wanneer de Procureur des Konings vermoedt dat er sprake is van een misdaad of een misdrijf. |