Bijlage bij de Deontologische Code voor Psychologen
Het beroepsgeheim
De deontologie en de wet verplichten de psychologen tot discretie en tot geheimhouding van de kennis die ze bij de uitoefening van hun beroep verwerven. In deze bijlage zullen we alleen de algemen principes van de wettelijke verplichting tot beroepsgeheim onder de loep nemen.
1 – Grondslag van de verplichting
Artikel 458 van het Strafwetboek luidt als volgt: “Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun toevertrouwd zijn, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank”.
2 – Motivering van de verplichting
In de evolutie van het strafrecht werd achtereenvolgens met drie motiveringen rekening gehouden, die vandaag nog actueel blijven. Oorspronkelijk werd het naleven van het beroepsgeheim gezien als een bescherming van het individu tegen indiscretie. Het ging om de eerbied voor de persoon.
Later werd het in acht nemen van het beroepsgeheim beschouwd als een waarborg voor een harmonische samenleving. De maatschappij acht het belangrijk dat elk individu de hulp kan inroepen van bepaalde beroepen die hen een absoluut vertrouwen kunnen garanderen. Daardoor is het noodzakelijk om vertouwelijke mededelingen en persoonlijke feiten geheim te houden. Die beroepsbeoefenaars worden “noodzakelijke vertrouwenspersonen” genoemd.
Tenslotte moeten degenen die kennis verwerven van geheimen de mogelijkheid hebben om die geheimen in alle veiligheid in ontvangst te nemen. Zonder die zekerheid zouden dergelijke beroepsbeoefenaars niet meer in staat zijn om hun opdracht uit te voeren.
De eerste twee motiveringen benadrukken de verplichting tot geheimhouding (zwijgplicht); de derde motivering onderstreept het recht op geheimhouding (zwijgrecht).
3 – Definities
« Alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen… » Er wordt algemeen aanvaard dat ook psychologen hiertoe behoren.
« Geheimen die hun zijn toevertrouwd… » Strikt genomen zou men kunnen denken dat het alleen gaat om vertrouwelijke mededelingen : wat wordt toevertrouwd, met name tijdens het onderhoud. Dit is echter niet zo. Het gaat om alles wat de psycholoog door de uitoefening van zijn beroep te weten komt, ontdekt, vaststelt, afleidt of interpreteert.
Wat is een geheim ? Elk gegeven dat te maken heeft met het privé-leven van de persoon en dat de vertrouwenspersoon beroepshalve is te weten gekomen. Volgens het “Répertoire pratique de Droit Belge” gaat het om “onbekende feiten, die van die aard zijn dat ze de eer, het aanzien, of de reputatie kunnen schaden of waarvan werd gevraagd om ze niet te onthullen: het zijn feiten waarbij men belang heeft om ze verborgen te houden.” (eigen vertaling)
« Deze bekendmaken … » Omdat de bekendmaking onder de toepassing van de wet zou vallen, is het noodzakelijk en voldoende dat die bekendmaking daadwerkelijk en opzettelijk gebeurt. Er is geen misdrijf indien de bekendmaking het gevolg is van een onvoorzichtigheid, een vergetelheid of een lichtvaardigheid. Op te merken valt dat het ontbreken van een strafsanctie niet betekent dat de persoon die schade heeft geleden door de bekendmaking van het geheim geen schadevergoeding kan eisen van degene door wiens schuld de schade is ontstaan (art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek).
“Worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboeten van honderd frank tot vijfhonderd frank”. De geldboete moet in 1997 met 200 vermenigvuldigd worden.
4 – Absolute aard van het beroepsgeheim en uitzonderingen
Traditioneel wordt het beroepsgeheim geacht absoluut te zijn. Dit betekent dat alle personen die bedoeld worden in artikel 458 van het Strafwetboek erdoor gebonden zijn ten opzichte van gelijk welke persoon en voor alles wat ze te weten komen door de uitoefening van hun beroep. Het beroepsgeheim wordt geacht van openbare orde te zijn. Dit betekent dat het niemand toebehoort (en dus niet ter beschikking kan zijn van iemand): noch aan de vertrouwenspersoon, noch aan degene die de vertrouwelijke mededeling doet, noch aan de overheid.
Deze strenge principes worden echter genuanceerd door de gerechtelijke praktijk en door artikel 458 dat zelf mogelijke uitzonderingen heeft ingevoerd :
- « Niet strafbaar is degene die een beroepsgeheim bekendmaakt wanneer hij geroepen wordt om in rechte getuigenis af te leggen ». In dit geval is de vertrouwenspersoon niet verplicht om het geheim bekend te maken, maar als hij in eer en geweten beslist om het wel te doen, is hij niet strafrechtelijk strafbaar. In de praktijk met een vertrouwenspersoon die geroepen wordt om in rechte te getuigen (d.w.z. met eedaflegging voor een rechter en niet in gewoon verhoor, bijvoorbeeld door de politie) de eed afleggen en daarna opmerken dat de inlichtingen die hem worden gevraagd onder het beroepsgeheim vallen en dat hij weigert ze te onthullen. De rechter zal oordelen over de gegrondheid van de weigering. Soms zal dat leiden tot een geschil en eventueel tot een veroordeling wegens het weigeren om getuigenis af te leggen. Traditioneel werd aangeraden om een getuigenis die onder het beroepsgeheim viel in alle omstandigheden te weigeren, en zelfs op verzoek van de belanghebbende. Zo wilde men vermijden dat een weigering systematisch als een ‘bekentenis’ zou geïnterpreteerd worden en een getuigenis als een middel van verdediging. Nu neigt men echter eerder naar de opvatting dat degen die de geheimen heeft toevertrouwd ‘bewaarder van het geheim’ is en blijft. Bijgevolg kan het geheim niet tegen hem worden ingeroepen (het is bijvoorbeeld geen argument om hem de inzage van zijn dossier te weigeren) en kan hij eraan verzaken binnen de grenzen die hij bepaalt. De Rechtbanken en Hoven oordelen vaker dat de ‘bewaarder van het geheim” de beroepsbeoefenaar kan ontslaan van het beroepsgeheim, en verplichten deze om de gegevens die onder het beroepsgeheim vallen bekend te maken in het geval waarin bekendmaking gebeurt ‘met het beste voor ogen voor de bewaarder van het geheim” met name wanneer het gaat om een slachtoffer dat zijn rechten moet doen gelden.
- « Niet strafbaar is degene die een beroepsgeheim bekendmaakt wanneer de wet hem daartoe verplicht. »
Hier kunnen zich een aantal gevallen voordoen, waarvan slechts één echt van belang is voor psychologen. We vestigen in de eerste plaats de aandacht op de artikelen 29 en 30 van het Wetboek van Strafvordering, die als volgt luiden:
“Iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, is verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijd is gepleegd, of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen” (art. 29).
“Ieder die getuige is geweest van een aanslag, hetzij tegen de openbare veiligheid, hetzij tegen iemands leven of eigendom, is eveneens verplicht daarvan bericht te geven aan de procureur des Konings, hetzij van de plaats van de misdaad of van het wanbedrijf, hetzij van de plaats waar de verdachte kan worden gevonden” (art. 30).
Op het niet naleven van deze aansporing tot opheffing van het beroepsgeheim als daad van gemeenschapszin werden gelukkig nooit sancties uitgevaardigd. Daardoor heeft dit voorschrift meer weg van een vrome wens. Het valt echter te vrezen dat de huidige stromingen in de publieke opinie de opheffing van het beroepsgeheim opnieuw in de actualiteit brengen en die artikelen van onder het stof zullen halen.
Belangrijker voor psychologen is artikel 422bis van het Strafwetboek: “Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden (dit maximum wordt op 2 jaar gebracht indien het gaat om een minderjarige die in gevaar is) en met geldboete van vijftig frank tot vijfhonderd frank (te vermenigvuldigen met 200) of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij die toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen”.
Dit artikel schrijft voor dat men ‘hulp moet verlenen of verschaffen’ en dus niet noodzakelijk het Beroepsgeheim moet schenden (bijvoorbeeld door het gerecht of de politie te verwittigen). Soms zal die hulp echter alleen mogelijk zijn door geweld te gebruiken (met name om de oorzaak van ernstig gevaar te stoppen) of door bepaalde rechten te schenden (bijvoorbeeld: met geweld binnendringen in een woning, iemand van de vrijheid te beroven, iemand uit het ouderlijk gezag ontzetten, enz ...). In een dergelijke situatie zal de vertrouwenspersoon zich verplicht zien om wat hij weet te onthullen aan de overheid en is hij niet strafbaar.
De laatste tijd doet zich en probleem voor, aangezien sommigen (met name bepaalde magistraten) van mening zijn dat de enige manier om hulp te verlenen als een persoon in groot gevaar verkeert, erin bestaat dat gevaar aan te geven aan de gerechtelijke overheid. Voor hen heeft artikel 422bis dus de overhand op artikel 458 van het Strafwetboek. Die strekking wint aan kracht door de reacties op de veschillende schandalen van misbruik van kinderen en pedofilie die de laatste jaren aan het licht zijn gekomen.
Steeds vaker wordt aanvaard dat de vertrouwenspersoon die beslist om aangift te doen bij de gerechtelijke overheid zich kan beroepen op een ‘rechtvaardigingsgrond omwille van een noodtoestand’. Dit betekent dat, gezien hij geklemd zit tussen twee wettelijke verplichtingen (zwijgen/spreken), hij de plicht heeft gekozen die hem het dringendst leek.
In een dergelijk geval boet de verplichting om het beroepsgeheim in acht te nemen dus fors aan kracht in.
- Recht van het minderjarig kind en van de onoordeelkundige persoon.
Deze personen hebben recht op de eerbiediging van hun privé-leven en dus op de eerbiediging van het geheim van dat leven. Tot zover het principe. Anderzijds dienen de ouders te zorgen voor de opvoeding van hun minderjarige kinderen en hebben de personen die belast zijn met de voogdij een vertegenwoordigingsplicht. Die plichten impliceren dat die personen in kennis gesteld worden van de informatie die ze nodig hebben om die opdrachten te vervullen, maar meer niet. De grens van de eerbiediging van het Beroepsgeheim ten opzichte van de ouders en de wettelijke vertegenwoordigers wordt bepaald door de oordeelkundigheid van de betrokken personen, d.w.z. hun bekwaamheid om hun eigen leven te leiden en beslissingen te nemen die hen betreffen. De wetgever heeft geen enkele prestatie, leeftijd of criterium vastgelegd om die bekwaamheid te omschrijven. ‘Op basis van zijn geweten, zijn beroepsopleiding en zijn doorzicht kan de noodzakelijke vertrouwenspersoon uitmaken in welke mate hij de feiten die onder het Beroepsgeheimvallen, mag onthullen’ (eigen vertaling) (zie N. Lahaye in ‘Revue de Droit Pénal et de Criminologie’, 1950, p. 595).
5 – Praktische overwegingen.
In tegenstelling tot wat velen denken, kan de Onderzoeksrechter (of de persoon die in het bezit is van een huiszoekingsbevel dat door die Rechter is afgeleverd) de dossiers en persoonlijke notities van een psycholoog in beslag nemen, op grond van de bevoegdheid die hij ontleent aan het Wetboek van Strafvordering. De aanwezigheid van een beroepsoverheid (zoals een vertegenwoordiger van de Raad van de Orde voor artsen, advocaten) zou alleen mogelijk zijn als er een orde van psychologen zou bestaan. Bij de inbeslagname is het wel aangewezen om aan te geven welke documenten onder Beroepsgeheim vallen.
Een totale geheimhouding van de dossiers is bijna niet haalbaar. Daarom zijn bepaalde bijzonder gevoelige feiten niet geschikt om neergeschreven en bewaard te worden als in een geschrift.
In het licht van wat we over artikel 422bis van het Strafwetboek hebben uiteengezet, zouden psychologen erbij gebaat zijn om hun beroepsactiviteiten zo specifiek en onafhankelijk mogelijk uit te oefenen, d.w.z. dat ze bij het zoeken naar oplossingen die onder hun bekwaamheid en bevoegdheid vallen zoveel mogelijk vermijden om een beroep te doen op de gerechtelijke instanties of op de politie.
Als rekening wordt gehouden met ‘het beste voor de bewaarder van het geheim’, dan komen we op het terrein van de waarden en individuele overtuigingen. Is het wel zo dat de beroepsbeoefenaar (de psycholoog) of de magistraat het best geplaatst zijn om te oordelen over het welzijn van een ander persoon? Het risico is groot dat ze op die manier hun persoonlijke waardensystemen opleggen. We bevinden ons dan niet meer op het domein van het Recht, maar wel op het terrein van de Moraal. In de Moraal wordt algemeen aanvaard dat het geweten voorrang heeft op de gehoorzaamheid. Dat principe leidt tot een houding waarbij niet wordt gehoorzaamd aan een verplichting die in strijd met de overtuiging wordt geacht. Dat is wat men vaak de ‘gewetensclausule’ noemt, wat helemaal geen juridisch begrip is. |